!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-transitional.dtd"> Index Augustus 20, 2015

Legende Ros Wildeman Melodie Reuzen Heemskinderen Dendermonde

PIJNDER

pijnderken

 

id="tekst"

Welkom op de site Gilde Der Vrijepijnders

 

 

Historische schets van het Dendermondse Pijndersambacht

De juiste oprichtingsdatum van het Dendermondse Pijndersambacht bleef tot op heden onbekend. Dit is niet zo uitzonderlijk, aangezien we hetzelfde kunnen vaststellen bij andere plaatselijke ambachten. Algemeen wordt aangenomen dat de ambachten in de meeste steden in de loop van de 14de eeuw officieel werden erkend door de stadsmagistraat. Hun reglementen en ordonnanties werden vaak in de 15de eeuw na herhaalde aanpassingen opnieuw bekrachtigd. Ook later dienden ordonnanties, ten gevolge van onderlinge twisten en processen, herhaaldelijk aangepast te worden. De ordonnanties van de ambachten beschermden de aangesloten leden, via een reeks beperkende maatregelen, tegen concurrentie vanbinnen of buiten de stadsmuren. De eigen reglementering diende er bovendien voor te zorgen dat de kwaliteit van het eindproduct werd gewaarborgd. De meeste ambachten bestonden dus eigenlijk uit een beroepsvereniging, waarvan de leden een bepaald product maakten en te koop aanboden. Wij denken hier onder meer aan bakkers, smeden, wevers, schrijnwerkers, enz Daarnaast waren er nog allerlei beroepen die niet zozeer produceerden maar wel diensten aanboden. Hiertoe behoorden arbeiders die instonden voor het vervoeren van allerlei producten: Schippers, voerlieden, biervoeders, pijnders, kraankinders, enz. Hoe groter de stad hoe sterker de specialisering kon doorgevoerd worden. Ook te Dendermonde was het werk sterk versplinterd over een groot aantal ambachten, gilden en broederschappen. Tot in de 16de eeuw waren er eigenlijk drie pijnders verenigingen: De zakdragers of onvrije pijnders De kraankinders De cordewagencruders of vrije pijnders Een orte bespreking van deze drie groepen zal ons meer duidelijkheid geven betreffende hun arbeidsverdeling en reglementering in voorbije eeuwen.

 

De zakdragers of onvrije pijnders

De Dendermondse zakdragers, elders soms buildragers vernoemd naar hun voornaamste transportmiddel, de zak of buil, dat ze op de schouders droegen, hebben zich voor het de 17de eeuw nooit in een ambacht verenigd. Ze vormden vermoedelijk een soort broederschap met als patrones de H. Anna, waardoor ze ook de St.-Annagasten werden genoemd. Mogelijk hadden ze in de O.L.V.-Kerk een eigen bidplaats, aangezien sedert 1425 een St.-Anna Altaar aldaar bekend is. De zakdragers hielden zich sedert eeuwen bezig met plaatselijke graanhandel en met het vervoer van houtskool, turf en steenkool. In de tekst van 1588 heet het dat “Onvrije (pijnders) schuldigh sijn hun lieden te vreden te houden met te wercken van mertschepen, het sij van Ghent of Aelst, ende het cooren hijs, met het drage van torven ende hulle coolen ende siergelijke saecken”. Geen enkel ambacht bleef ooit gespaard van moeilijkheden met mogelijke concurrenten, ook dat van de pijnders niet. Er rezen in de loop van de 17de eeuw steeds meer moeilijkheden tussen onvrije en vrije pijnders, zodat in 1672 de onvrije pijnders of zakdragers bij het stadsbestuur gingen aandringen om hun groepering tot een vrij ambacht te verheffen en om hun werkterrein en hun rechten duidelijk te omschrijven. Dit gebeurde reeds op 27 november 1672, alhoewel toen nog niet tot de oprichting van een abacht werd besloten. Het aantal onvrije pijnders, toen 79, zou in de toekomst herleid worden tot 60 leden. Hun werkterrein zou voortaan bestaan uit het behandelen van marktschepen en andere die van Aalst kwamen en uit het verwerken van lijnzaadbrood, kempbrood, raapbrood en poeder, sparren, kruiphout en ander gezaagd hout en wijmen. Hiermee was aan de eisen van de onvrije pijnders slechts ten dele tegemoetgekomen. Moeilijkheden bleven dan ook niet uit. Op 8 augustus 1674 werden de onvrije pijnders door het stadsbestuur eindelijk als ambacht erkend en kregen zij een meer uitgewerkte ordonnantie. Ze mochten voortaan met drie flambouwen meegaan in de H. Sacramentsprocessie van de O.L.V.-Kerk, een recht dat alleen aan de schuttersgilden en aan de echte ambachten was voorbehouden. De namen van de 60 leden worden vermeld, de werklonen vastgesteld en het werkterrein duidelijker omschreven. Het inkomgeld voor de nieuwe leden zou voortaan 3 pond en 10 schellingen groot bedragen, een bedrag dat beperkt werd tot 1 pond en 4 schellingen groot, indien de kandidaten kinderen waren van eigen leden. Indien de vrije pijnders te veel werk hadden dan mochten zij in de toekomst slechts beroep doen op de leden van het onvrije of nieuwe pijndersambacht. In 1675 kregen de onvrije pijnders ook nog de toelating de beurtschepen van Aalst te laden en te lossen. Het nieuwe pijndersambacht, zoals het voortaan werd genoemd, bleef verder bestaan tot het einde van de 18de eeuw. Hun enig groot probleem tijdens de jaren volgend op hun ordonnantie, was het binnen de perken houden van hun eigen ledenaantal. Zoals in de andere steden en gemeenten van onze gewesten werden ook in Dendermonde in de loop van 1794-’96 alle gilden en ambachten afgeschaft ten gevolge van de inlijving van ons land bij Frankrijk. Men baseerde zich hiervoor ondermeer op de wet Le Chapelier van 1791. Dit betekende voor het Dendermondse ambacht van onvrije pijnders dan ook het definitieve einde.

 

De kraankinders

Ook de Dendermondse kraankinders behoorden aanvankelijk niet tot het ambacht, maar vormden eveneens een soort broederschap onder direct toezicht van het stadsbestuur. Met de huidige terminologie zouden wij ze min of meer kunnen omschrijven als een stedelijke regie met aan het hoofd een kraanmeester. Zij hingen af van de kapelmeesters van O.L.V. van de werf, die op hun beurt van hun beheer, jaarlijks rekenschap moest afleggen aan de burgemeester en schepen, de eigenlijke gouverneurs of opper-voogden van de kapel op de werf. Deze werf bestond vroeger uit het grootste deel van de huidige Frans Courtensstraat. Samen met de Visgracht vormden ze de kern van de gewezen binnenhaven. Hier brachten de vissersschuiten hun vangst naar de nabijgelegen vismarkt en werden allerlei grote en kleinere schepen en schuiten geladen of gelost, vanaf de toen veel lager gelegen kaaimuren. De eerste kapel was een kleine houten staakkapel, waaraan ’s nachts en brandende lantaarn hing ten behoeve van de gebruikers van de houten brug. De iets grotere kapel die er circa 1446 werd opgetrokken diende in 1531-’32 reeds afgebroken te worden ten gevolge van uitbreidings-en vernieuwingswerken aan de kaaimuren. Het in 1532 aangekochte burgerhuis op de werf werd pas in 1552 afgebroken en vervangen door een nieuwe, grot bakstenen kapel. Deze werd in 1698 openbaar verkocht. Thans bevindt zich hier galerij en kunstwinkel Palet. Deze kapel werd onderhouden met een gedeelte van het loon der kraankinders, die in ruil het oorspronkelijk materiaal van de stad mochten gebruiken. Voor het laden en lossen van schepen mochten enkel de kraankinders gebruik maken van de houten kraan die vermoedelijk in de 14de eeuw ter plaatse werd opgericht. Hiermee behandelden zij zware stukgoederen en alles wat in vaten verpakt werd zoals bier, wijn, metaal, enz. Voor het vervoer van deze producten maakten zij hoofdzakelijk gebruik van met paarden bespannen houten sleden, rolwagens en gewone wagens. Toen er in de eerste helft van de 16de eeuw moeilijkheden ontstonden met het plaatselijke pijndersambacht besloten de beide verenigingen op 15 oktober 1545 wijselijk te fusioneren tot één vrij pijndersambacht. De kapelmeesters droegen dit ambacht het recht over om de koopwaren te laden en te lossen mat de kraan, samen met het eigendomsrecht op de kraan en al het erbij horende materieel. De leden van het ambacht die verder de kraan zouden bedienen, betaalden de kapelmeesters ook in de toekomst 10% van hun ontvangsten en 6 schellingen groot voor het recht om op de werf mest te vergaren. Met deze overeenkomst kwam dus reeds in 1945 vroegtijdig een einde aan het bestaan van een afzonderlijke vereniging van kraankinders te Dendermonde, die voorheen ongetwijfeld een belangrijk aandeel had in het verwerken van zware lasten.

 

De cordewagencruders of vrije pijnders

Als laatste maar zeker niet onbelangrijkste groepering behandelen we hier de vrije pijnders, die we voor het eerst vermeld vinden in de stadsrekeningen van 1393. Een andere benaming voor hun beroep was cordewagencruder, omdat ze oorspronkelijk vooral lasten vervoerden met behulp van een kruiwagen. Na de opname van de kraankinders in het ambacht spreken de teksten nog geruime tijd van het nieuwe ambacht der pijnders. Het ambacht had in de crisisjaren tussen 1560 en 1584 blijkbaar gebruik gemaakt om eigenmachtig de geldende tarieven aan te passen. Een ordonnantie van 20 augustus 1588 leert ons immers dat het stadsbestuur heeft willen ingrijpen omdat “de gemeende pijnders hun verstouten den loon van het werck van alderande goederen te argumenteren ende op te stellen naer hun lieden beliefte”. Het stadsbestuur beperkt hierop het ledenaantal tot 30 personen, die met naam worden opgesomd. Nieuwe leden zouden slechts aanvaard worden door het stadsbestuur zelf, dat er zou over waken dat het maximumaantal leden niet zou worden overtroffen. De voorwaarde voor aanvaarding waren: Het afleggen van de eed Het betalen van 2 Schellingen groot Het betalen van 2 carolusguldens als inkomgeld Het leveren van een borgstelling voor een bedrag van 50 carolusguldens Hieruit blijkt dat het toenmalige pijndersambacht geen enkele voorkeursbehandeling voorzag voor hun eigen kinderen. Ook de namen van de 30 toen gekende leden bevatten meestal andere familienamen dan deze van de nu gekende pijndersgeslachten dewelke zich meestal pas in de 17de eeuw hebben gevormd. We kunnen op dit vlak dus wel stellen dat het pas vanaf de 17de eeuw is dat het beroep van vrije pijnder definitief in handen blijft van een aantal families. Dit zonder dat er hiervoor in de ons bekende statuten enige aanwijzing kan worden teruggevonden. Het werkterrein van de vrije pijnders werd in 1588 omschreven als het verwerken van “bieren, wijn, olie, azijn, sacken van vlas, hoppe ende alderande coopmanschappen” die even verder blijken te bestaan uit “pakken, koffers, lijnolie, siroop, vis, haring, boter, roet en murw graan ten behoeve van brouwers en kooplieden”. In 1784 omschreven de vrije pijnders hun werkterrein als “het verwecken van alle bieren, wijnen, olie, azijn, sacken van vlas, hoppe, sant, oock graenen uyt en in de schepen en de packhuysen en de voorts alle coopmanschappen” De kandidaat pijnder diende zijn aanvraag te richten tot het ambachtsbestuur. Om “Syne sterckte ende capaciteyt” te tonen mocht hij nadien een tijdlang meewerken met de andere pijnders. Als hij op dat vlak voldeed mocht hij de eed afleggen en werd hij als volwaardig lid in de ambacht opgenomen, na betaling van het gewone inkomgeld. Dit bedroeg18 gulden voor het ambacht, 6 gulden voor het stadsbestuur, 1 gulden voor de opper-deken en voor elk van de twee gezworenen en uit een “clyne recreatie” voor de andere leden. De jaarlijkse inkomsten van het ambacht sproten voort uit de verpachting van de grote en de kleine “busse”. In de grote bus stort elke pijnder per schelling loon een bedrag van twee oorden. Opbrengsten werden gebruikt voor het delgen van de niet onaanzienlijke schulden, voor het kopen of laten herstellen van het materiaal van het ambacht en voor het betalen van de schade, die soms werd veroorzaakt bij het behandelen van de koopmansgoederen.

 

Nevenaspecten van het pijndersberoep

Naast het lossen, laden en vervoeren van allerlei producten waren er ook steeds enkele door het stadsbestuur beëdigde pijnders die instonden voor het meten en wegen der goederen, omdat meestal op basis van de inhoud en gewicht hun loon kon worden bepaald. Het ambacht beschikte hiervoor over grote weegschalen en gewichten en over diverse maten. Zoals in vele andere steden waren zij ook belast met de openbare brandbestrijding. Met de hulp van de plaatselijke bevolking en gebruik makend van houten en lederen emmers waarvan er steeds een aantal in het pijndershuis werden bewaard, dienden ze elke brand onmiddellijk na het alarm te gaan bestrijden. Vanaf 1684-’85 konden ze hiervoor ook gebruik maken van de twee “stadts brantspuyten”. Voor het jaarlijkse onderhoud van deze brandspuiten en per gebluste brand, ontvingen ze telkens een ton bier. Wij hoeven dan ook niet verwonderd te zijn wanneer men in 1754 van de vrije pijnders spreekt als “drinkebroers”. In samenwerking met enkele politiemannen bleven ze deze dienst vervullen tot in het midden van de 19de eeuw. Met de oprichting van een vrijwillig brandweerkorps in 1865, aanvankelijk in het kader van een burgerwacht, waren de pijnders van deze opdracht definitief verlost. Een ander eeuwenhoud gebruik dat de pijnders in ere hielden tot het einde van de 18de eeuw was het jagen van de wildeman op vastenavond. Dit gebeurde vermoedelijk met behulp van een jong kandidaat pijnder die, achterna gezeten door enkele leden van het ambacht, naakt doorheen de straten liep, van kop tot teen bestreken met siroop en beplakt met pluimen. Dit gebruik, dat we sedert de 15de eeuw ook kennen in vele andere steden, wordt voor het eerst vermeld in de stadsrekeningen van 1449. Deze opvoering werd door het stadsbestuur beloond met twee kannen wijn, ondanks de banvloeken van de geestelijke overheid. Verder namen de pijnders als beroepsdragers uiteraard ook deel aan allerlei optochten doorheen de stad. In de processies van de O.L.V.-Kerk droegen zij op H. Sacramentsdag en op 15 augustus de processietroon met het beeld van de Onze Lieve-Vrouw van Troost Het meest bekend zijn se wel als de traditionele dragers van het Ros Beiaard in de Dendermondse ommegang. De eerste vermelding van het dragen van het paard dateert van 1539-‘40. In tegenstelling tot de leden van de. Huidige gilde, kregen zij vrij dikwijls gelegenheid om het Ros Bejaard te "draeghen ende speelwys te vertooghen". Zeker tot het einde van de 17de eeuw ging het paart bijna jaarlijks uit in de "ommeganck opden Kerremisdach". Ook voor het dragen van de reuzen en de andere grote elementen uit de ommegang werd geregeld op de pijnders beroep gedaan zonder dat er van een vaste traditie kan gesproken worden.

 

Afschaffing en nabloei

Zoals de andere ambachten, werd ook het pijndersambacht in 1794 officieel afgeschaft. Toch zien wij dat vanaf 1799 opnieuw leden in het Ligerre werden ingeschreven. Het ambacht hernam blijkbaar zijn normale werking, terwijl men eveneens in het bezit bleef van het ambachtshuis, met inbegrip van meubilair en archief. Dit tweede leven van het ambacht kan slechts verklaard worden door het feit dat de pijnders een soort openbare dienst vervulden, die moeilijk kon verdwijnen of geprivatiseerd worden. Het leven ging in de 19de eeuw verder zijn normale gang. Elke morgen kwamen de pijnders, die intussen zowat één grote familie vormden, bij zonsopgang samen in het Pijndershuis aan de Schelstraat. De werkverdeling werd er met dobbelstenen beslist De hoogste worpen mochten het beste verrichten. De dekens sloten met diverse werkgevers overeenkomsten af en verdeelden het werk. Aanvankelijk was er werk genoeg en gold nog steeds het spreekwoord: "Die met nen pijnder trouwt, heeft een klontje goud!". Met de traditionele ambachten verdwenen echter ook hun strenge ordonnanties. Zo moesten bijvoorbeeld de pijnders opboksen tegen een steeds scherper wordende concurrentie van losse werklieden, die de geldende tarieven aan hun laars lapten. Wijnkooplieden, brouwers, textielfabrikanten en andere nijveraars lieten hun producten voortaan door hun eigen werklieden behandelen en vervoeren. In 1838 was 27,50% van de Dendermondse bevolking behoeftig, waaronder niet minder dan 268 pijnders of kruiers. Zoals vele andere arbeiders konden ze nog enkel het hoofd boven water houden door meer dan één beroep uit te oefenen of door ook vrouw en kinderen naar de fabriek te sturen.

 

Het einde en heroprichting

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren de pijnders nog met 36 leden. In de brand van september 1914 raakten ze alles kwijt. Hun materieel, de rest van het archief, een schilderij met de afbeelding van hun patrones H. Maria Magdalena, het ambachtsblazoen, enkele koperen kannen en kruiken, enz gingen verloren in de brand Ook hun processietoorts, bekroond met twee pijnders met een bierton en een zakdrager, ging jammer genoeg verloren. Na dit verlies ging het ambacht kort nadien ter ziele. De pijnders werkten voortaan voor eigen rekening, los van de oude reglementering. Enkel het dragen van het Ros Beiaard in de volgende ommegangen deed telkens iets van de vroegere luister en samenhorigheid herleven. Ter gelegenheid van de Ros Beiaardommegang van 1975 staken de dragers van de reuzen en het Ros Beiaard de koppen bij elkaar en besloten opnieuw een "Gilde der Vrije Pijnders" op te richten. De leden van deze vereniging verzorgden de ommegang van 1990. Na deze prestatie kozen ze een nieuw bestuur, dat ervoor zorgde dat de feitelijke vereniging op 13 juni 1991 werd omgevormd tot een V.Z.W., met eigen statuten en een inwendig reglement. Men wilde op die manier de vereniging een degelijke structuur geven, zodat de pijndersgilde in de toekomst zou kunnen naar buiten treden als een volwaardige gesprekspartner. Een eerste succesvol initiatief realiseerden de pijnders op 31 augustus 1991, toen ze weer aansloten bij de eeuwenoude traditie van het jagen van de wildeman. Twee jonge kandidaat leden, Boone Tony |53| en Mertens Paul |313, voldeden op een puike manier aan de hen opgelegde proeven en werden onder een grote publieke belangstelling als nieuwe leden aanvaard. Op 15 mei 1995 herhaalden de pijnders dit initiatief, dat sindsdien is uitgegroeid tot een regelmatig weerkerende manifestatie. Het is alvast een origineel idee om nieuw bloed te brengen in een vereniging die heden reeds meer dan 600 jaar bestaat. Dendermondse historicus en stadsconservator op rust, Aimé Stoobants